De stedelijke ontwikkeling van Almere in politieke context: groot en klein

 

Toen ik begin zeventiger jaren als jong stedenbouwkundige bij de gemeente Amsterdam werkte kwam Almere daar voor het eerst in beeld. Op een dag lag het eerste basisrapport “Verkenningen rond de nieuwe stad Almere” op de tafel van directeur A. De Gier, een zeer vooraanstaand ingenieur, beleidsadviseur van het college van B&W van Amsterdam. Ik was die die dag op zijn kamer voor een onderwerp over de stadsvernieuwing, maar kon niet nalaten het rapport door te bladeren.

De Gier zag dat en zei, ook hoorbaar voor de andere aanwezigen: “Dat wordt de vijand van de Bijlmer”. Natuurlijk bedoelde hij dat niet letterlijk, maar zag hij als probleem voor de Amsterdamse Bijlmermeer dat zo dicht bij Amsterdam een stedelijk gebied zou verrijzen met hoofdzakelijk eengezinswoningen met tuin als woonvorm. En dat was nu net de woonvorm die door de Amsterdamse woningzoekenden het meest werd geprefereerd! Terwijl in de gelijktijdig te ontwikkelen Bijlmer hoogbouw werd gerealiseerd met als woonvorm de galerijflat, negen hoog. Dit was dus juist niet het woontype dat door de woningzoekende Amsterdammers het meest werd gewenst. Maar er was geen terug meer mogelijk. De Bijlmer was in volle gang gezet met grootschalige industriële woningbouw (fabrieksmatige elementen), terwijl Almere werd opgestart door de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders, een afdeling van Rijkswaterstaat waar Amsterdam geen enkele grip op had.

Dit was een nieuwe ervaring voor Amsterdam, omdat de stad altijd wel controle kon uitoefenen op wat er in de omgeving (het gewest) aan woningbouw werd gedaan. Wel werd dit probleem door de verantwoordelijke afdeling Stadsontwikkeling van Amsterdam nog aangekaart bij de nieuw aangetreden wethouder Lammers, maar die kon deze in gang gezette Rijkstrein ook niet tegenhouden. Hij liet wel weten dat de Zuid-Bijlmer- door hem Gaasperdam genoemd- op een andere manier zou moeten worden ingericht.

Deze Amsterdamse weerstand tegen Almere kreeg toch nog een opmerkelijk gevolg. Ik interviewde vele jaren later directeur Otto van de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders, een functie die destijds werd gecombineerd met die Landdrost ( een soort CdK rol). Hij vertelde mij dat hij zich als directeur RIJP/Landdrost had vervoegd bij het Amsterdamse gemeentebestuur met een bijzonder aanbod. Zoals hij zei bood hij aan dat, ik citeer: “Wij (de RIJP- hl) bereid waren een – spreekwoordelijk – hek om Almere te zetten en Amsterdam in de gelegenheid te stellen Almere zelf te ontwikkelen. De RIJP zou dan de rest van de polder inrichten.” Otto vertelde dat Amsterdam het idee categorisch afwees. Hem was niet duidelijk waarom. Mij wel. Door dit aanbod werd het gemeentebestuur door Otto voor het blok gezet. Amsterdam had er gewoon niet veel trek in een grote nieuwe stad op korte afstand van Amsterdam te ontwikkelen, met een grote aantrekkingskracht op de Amsterdammers. Begrijp goed, het waren de jaren waarin Amsterdam duizenden inwoners per jaar verloor aan steden en dorpen in het Amsterdamse gewest. Die leegloop moest worden gestopt.

Hautaine

houding van

Amsterdam

Bovendien bestond er in de Amsterdamse politieke en ambtelijke wereld een typisch hautaine houding tegenover de verstedelijking in de Zuidelijke IJsselmeerpolders. Ik was daar zelf eens getuige van in een ambtelijke vergadering (1976) in Amsterdam over een nieuw structuurplan voor Amsterdam. Daarin zou ook de gewestelijke structuur worden meegenomen, met de bijbehorende infrastructuur. Maar ik hoorde niets over Lelystad (al flink in aanbouw) en ook niets over Almere. Ik bracht in dat wij er goed aan zouden doen rekening te houden met een ontwikkeling in de nieuwe polders van mogelijk zelfs 400.000 inwoners, of meer, en dat daarvoor nieuwe rail- en weginfrastructuur noodzakelijk was. Geloof het of niet, maar er werd wat meewarig naar mij gekeken. Dat kon toch nooit gebeuren…

Nu wilde het geval dat ik bevriend was met Fred van der Veen, de latere PvdA wethouder van Lelystad, en lid van het fameuze Projectbureau Almere. Dat bureau was binnen de RIJP opgericht en stond onder leiding stond van de capabele en energieke ir. Dirk Frieling. Hij was eerder mededirecteur van de Dienst Volkshuisvesting in Amsterdam geweest en had daar opzien gebaard door zijn bijzonder organisatorisch vermogen en creatieve aanpak van de stadsvernieuwing. Iemand dus om terdege rekening mee te houden.

Van Fred van der Veen begreep ik dat de machine van de RIJP in al zijn onderdelen op volle toeren draaide, in Lelystad al bezig was zo’n 2000 woningen per jaar te bouwen en Almere zou dat jaar volgen. En dat met rechtstreeks geld uit de Rijksbegroting voor alles wat er nodig was: wegen, scholen, winkels, bedrijven, parken en bossen, en natuurlijk woningen in laagbouw met tuin en redelijk betaalbaar. Daarvoor had de RIJP een eigen woningbouworganisatie, waar een zeer deskundig en vindingrijk stel mensen werkte, waaronder de eminente kenner van de financiering van de volkshuisvesting, ook PvdA-er , Bert Strijbos, die ook later hoofd Volkshuisvesting in Almere zou worden. En, last but not least, in Amsterdam werd schromelijk over het hoofd gezien dat alle grond in de polders, en dus ook onder Almere, in Rijkshanden was en zonder moeilijke onteigening- en andere procedures direct en naar eigen inzicht kon worden benut. Dat lag in Amsterdam natuurlijk wel anders. Daar moest binnen de stad voor elk stukje grond met particulieren worden geknokt en de grond aan de rand van de stad was duur en schaars geworden. Tot overmaat van ramp voor Amsterdam kwam bijna gelijk met de eerste paal voor Almere (1976 in Haven) een krachtige bestuurder uit Amsterdam als landdrost naar de polders: Han Lammers, die het politiek en bestuurlijk klappen van de zweep uitmuntend beheerste.

Zo waren dus alle politieke, bestuurlijke, financiele en ambtelijke voorwaarden voor een florissante ontwikkeling van Almere geschapen. En zo geschiedde, met woningaantallen van zo’n 3000 per jaar! En de mensen kwámen, vooral uit Amsterdam, maar ook uit het Gooi, Utrecht en verder uit het land. Zo groeide Almere vanaf 1976 (1e paal Almere Haven) als kool, niettegenstaande Amsterdamse weerstand en Universitaire rapporten als dat van Martin Bierman: “Almere is gebouwd op drijfzand”, waarin werd betoogd dat aan Almere geen behoefte was om de woningnood op te lossen. De werkelijkheid zag er anders uit.

Maar hoe zat het dan met de lokale politiek in Almere als het om het ruimtelijk- en volkshuisvestingsbeleid ging? Eigenlijk niet zo goed, of beter gezegd, die politiek was er niet. Er waren immers geen inwoners… Dat veranderde echter snel. Het zogeheten ‘Openbaar Lichaam IJsselmeerpolders’ (de naam alleen al) kende een hoofd (de hiervoor al genoemde ‘Landdrost’), die tevens directeur van de Rijksdienst IJsselmeerpolders was. Een zware en beslissende dubbelfunctie dus.

Deze Rijksdienst had een groot en goed functionerend ambtelijk apparaat, zowel in de voorbereiding als in de uitvoering van de polderinrichting, ook de steden. De Landdrost werd geadviseerd door een zogeheten Adviesraad, bestaande uit gekozen inwoners, geleverd door en uit de – nog mager – aanwezige en nieuw opgerichte afdelingen van de bestaande politieke partijen. De PvdA speelde daarin natuurlijk mee, als landelijk grote politieke partij. Maar de feitelijke invloed van deze Adviesraad op het ruimtelijk beleid was zo goed als nihil. De Rijp maakte plannen en voerde ze uit. De Adviesraad mocht er kennis van nemen. Echt een autocratisch ambtelijk bestel.

Lammers wekte

ergernis bij

top Rijksdienst

Dat veranderde met de komst van Landdrost Han Lammers in 1976. Goed te weten dat Lammers op uitnodiging van de PvdA in Lelystad tot zijn sollicitatie kwam. Lammers had zich voorgenomen zo snel mogelijk normale democratische verhoudingen in de polders tot stand te brengen. Het eerste wat hij deed was het doorknippen van de dubbelfunctie directeur RIJP/Landdrost, tot grote ergernis van de toenmalige top van de Rijksdienst. De bordjes werden immers verhangen. Zijn tweede ingreep was het serieus nemen van de Adviesraad, die nu ook in Almere functioneerde. “Ik beschouw de Adviesraad als een wettig gekozen vertegenwoordiger van de bevolking en dus in alle recht en macht om het stedelijk beleid te bepalen,” zo luidde zijn entree in Almere.

Hoe deze eerste Adviesraad werd samengesteld en hoe deze functioneerde valt buiten het bestek van mijn bijdrage en zal elders wel worden behandeld. Lammers’ derde ingreep was het met grote spoed en doorzetting Lelystad, Almere en Zeewolde normale gemeenten te laten worden. Toen ik bij de gemeentewording in 1980 in Lelystad ging werken ontmoette ik de PvdA afdelingsvoorzitter Wim Trieller, die dat met veel inzet van zijn politiek inzicht en persoonlijkheid deed. Niet veel later deed hij dat ook in Almere waar hij met zijn empathisch redeneringsvermogen, politiek inzicht en goede hand van schrijven de PvdA afdeling tot leven bracht.

Talloos zijn de bijdragen van zijn hand over allerlei politieke onderwerpen in het PvdA afdelingsblad. Dankzij zijn ervaring met jonge mensen – Wim is neerlandicus en kwam uit het onderwijs – wist hij ook jongeren aan de partij te binden. Hij heeft zonder twijfel, samen met vriend Ed Veenstra, een krachtige hand gehand in de opbouw van het middelbaar onderwijs in Almere. De maandelijkse afdelingsvergadering in Almere onder zijn leiding waren boeiend, uitdagend, soms fel, en vaak ook gezellig. Maar scherp, als het om de verkiezing voor de gemeenteraad en de tweede kamer ging. Dat laatste deden de afdelingen in die dagen nog, voordat het tijdperk Rottenberg daar een eind aan maakte.

Lammers vond bij zijn doel om tot normale democratische verhouding te komen Binnenlandse Zaken aan zijn zijde, en zo werd Almere in 1984 een gemeente met Lammers als eerste burgemeester. Vanzelfsprekend werd nu ook de voormalige Adviesraad een echte gemeenteraad en kreeg ook de afdeling van de PvdA een krachtiger stem in het gemeentebeleid. Peter de Jonge, Rob Schaeffer en André Tierie melden in de afdeling terug wat er in het college aan de orde was en dat werd besproken.

Strijd tegen

‘compacte stad’

van Amsterdam

Burgemeester Lammers moest direct al de strijd aanbinden in de oude haat-liefde relatie met Amsterdam. Hij werd daarin gesteund door Peter de Jonge, die in dat eerste college van B&W wethouder voor ruimtelijke ordening was. Waarom die strijd? Amsterdam had een nieuw beleid ontwikkeld om de uitstroom tegen te houden: de zogeheten ‘Compacte Stad’ was het nieuwe beginsel, waar eerder Lammers nog het opvangen van woningzoekenden in het gewest had bepleit.

De Amsterdamse wethouder voor ruimtelijke ordening, de PvdA er Van der Vlis, droeg dat nieuwe beleid met kracht uit en liet regelmatig weten dat Amsterdam Almere niet nodig had, en dat Amsterdam zijn woningbehoefte best binnen de bestaande gemeentegrens kon opvangen. Dit zou betekenen dat de Amsterdamse Dienst Herhuisvesting geen Amsterdammers meer op de mogelijkheid van Almere zou wijzen. Het kwam daarbij natuurlijk wel uit als de uitweg naar Almere ook metterdaad werd afgeknepen door aan Almere de contingenten te onthouden die nodig waren om woningen voor Amsterdammers te bouwen.

Die gedachte drong natuurlijk ook door tot het Rijk. Het Ministerie van Ruimtelijke Ordening nam in de nieuwe Nota Ruimtelijke Ordening op dat in Almere in plaats van het actuele tempo van 3000 woningen per jaar, rekening moest worden gehouden met een vermindering tot 1200 woningen per jaar. Bovendien zou na Haven, Stad en Buiten geen nieuwe kern meer mogen worden begonnen.
Ik werd in 1983, even voor de gemeentewording van Almere, benoemd tot hoofd Stadsontwikkeling van Almere. Ik kreeg bezoek van de hoofdambtenaar Verstedelijking van het Ministerie en hij deelde mij officieel mee dat Almere Pampus (west) en Almere Sticht (oost) voor onafzienbare tijd “in de ijskast zouden belanden”. Dat nu was een pijnlijke toestand.

Alles in Almere, de gemeentebegroting, het personeel dat van de RIJP was overgenomen, de verwachtingen van de bevolking en bedrijven, de voorzieningen (scholen, medische zorg etc.), de interne infrastructuur en nog zo wat zaken waren afgestemd op een langdurige continuering van de hoge productie. De PvdA kwam in het geweer en bewerkte de partijgenoot Kamerleden om dit tij te keren, maar het bleef penibel. Zonder steun van het Rijk – er bestond nog toedeling van contingenten met financiering- zou de woningbouw niet in volle omvang kunnen plaatshebben. Bovendien zou de gemeentebegroting ‘op tilt komen’.

Ook ik moest mij ambtelijk bezinnen op deze opgelegde neergang in de planontwikkeling en de aantallen medewerkers, die wij nota bene net van het Rijk hadden overgenomen!  Maar ik had niet voor niets vele jaren in Amsterdam gewerkt en kende de typisch Amsterdamse mentaliteit van overschatting en overvraging. Daarmee heeft Amsterdam door de jaren heen veel successen geboekt; er werd dan wel het geld bij het Rijk los getroggeld, maar de beloofde productie bleef steevast achter. Mij leek daarom de door Amsterdam aangekondigde productie van woningen binnen de gemeentegrenzen al te overmoedig en feitelijk overtrokken. Er zouden tal van procedures in de weg zitten en bovendien wist ik uit ervaring dat de inspraak in Amsterdam niet van een leien dakje verloopt. Alle procedures worden in de inspraak maximaal uitgebuit en er is dus alle kans dus dat de woningvraag uit de hand zou blijven lopen en niet binnen de Amsterdamse grenzen zou kunnen worden opgelost. In overleg met Peter de Jonge en Han Lammers bereidden wij vanuit mijn afdeling Stadsontwikkeling daarom maar gewoon de plannen voor uitbreiding in Almere Buiten en de kernen in West) Pampus en Poort, en Oost (Sticht) voor.

‘Amsterdam

heeft Almere

niet nodig’

Deze verhouding met Amsterdam was ook een telkens terugkerend onderwerp in de ledenvergadering als verslag werd gedaan van het bestuurlijk-politieke werk. De toon? Wij laten ons niet ringeloren door Amsterdam. Midden in deze lastige jaren werd onverwacht Han Lammers ziek. Hij werd opgenomen om aan zijn hart te worden geopereerd en moest lange tijd revalideren. Er kwam veel op het college aan, waarin de PvdA-ers (Peter de Jonge, Rob Schaeffer, Andre Tierie) prima konden samenwerken met de VVD – Miep Bregman vooral). Lammers was nog maar kort terug of er werd een vergadering gepland met het voltallige college van B&W van Amsterdam, in het raadhuis in de Passage. Ik mocht een toelichting geven op de Almeerse ontwikkeling en de plannen.

Michael van der Vlis ( wethouder Amsterdam voor ruimtelijke ordening) zat er stilletjes bij en streek zo nu en dan door zijn baard en maakte afwerende gebaren. Lammers vroeg naar de reacties. Partijgenoot Van der Vlis ( in Amsterdam eerder tegenstrever geweest van Lammers) antwoordde kortaf: “Amsterdam heeft Almere niet nodig”. Lammers reageerde scherp: “Maar de Amsterdammers wel.” Zo kibbelde de zaak nog wat verder. Lammers keek op een bepaald moment in het gesprek in mijn richting en vroeg: ”Wat vindt het hoofd Stadsontwikkeling hiervan?” Ik gaf een ogenschijnlijk paradoxaal antwoord, dat mij het beste leek als opstelling in deze kwestie. “Als Amsterdam er niet in slaagt al die aangekondigde woningen op tijd te bouwen, dan zal de trek naar Almere zonder meer op gang blijven. En als Amsterdam dat wél lukt, ook dan zullen er mensen uit de stad blijven verhuizen naar Almere. Immers, hoe groter Amsterdam wordt en hoe dichter en hoger de bebouwing, des te groter zal er een uitstroom blijven.”.

De werkelijkheid laat nu zien dat de paradox inderdaad ogenschijnlijk was. Het CBS laat immers weten dat grote aantallen huishoudens , vooral die met jonge kinderen, een woning in het gewest zoeken. Maar dat terzijde. Toen de heren de kamer verlieten werd ik staande gehouden door een oud-collega van de Amsterdamse dienst Volkshuisvesting. Hij haalde een enveloppe uit zijn binnenzak en zei: “Hier Henk, dit zijn de woningcontingenten die wij de komende tijd niet kunnen opmaken, nemen jullie ze maar.” De enveloppe bevatte zeker 1000 woningen. Zo is het eigenlijk heel veel jaren doorgegaan. Formele posities tegenover informele afspraken. Echt een bestuurlijke haat-liefde verhouding. Voor wie meer wil weten over de achterfgronden hiervan kan het een en ander vinden in mijn beschouwing “Tussen IJ en Eem. Over de haat-liefde verhouding tussen Amsterdam en Almere, (2004)”.

Inmiddels getuigt de woningvraag in Amsterdam van ouderwets vliegende woningnood. Er kan in het gewest, dus ook in Almere, niet genoeg worden gebouwd om alle mensen aan een woning te kunnen helpen. Dat wil zeggen, aan een voor grote groepen betaalbare woning. Want daaraan schort het nu al meer dan een halve eeuw: goede woningen voor mensen met bescheiden inkomens en zonder goed gevulde bankrekeningen. Ook dat is natuurlijk in de afdeling vaak aan de orde geweest. In elk geval mag worden gezegd dat noch in Lelystad, noch in Almere selectie op inkomen en sociale positie werd uitgevoerd op de vragende woningzoekenden, zoals dat maar al te veel praktijk was in andere gewestelijke woningbouwgebieden. Sterker nog, Lelystad en Almere waren verwijsplaatsen vanuit andere steden en het siert de PvdA die mensen altijd te hebben willen opvangen, ook al gaf dat wel enige aanleiding tot zorg vanuit de bevolkingsopbouw en het draagvlak.

Provincie als

steun en geen

hindermacht

Niet lang na de gemeentewording van Almere groeide de discussie over het instellen van een nieuwe polderprovincie, waarvan Almere deel zou gaan uitmaken, naar een beslissend moment. Ik was in die tijd lid van het gewestelijk bestuur Gelderland van de PvdA, waarbij de partij was ingedeeld omdat er (nog) geen eigen gewest in Flevoland bestond. In dat bestuur was ik, met steun van de fractievoorzitter van de PvdA in de provincie Gelderland Hans Alders, sterk pleitbezorger van een eigen provincie, maar dan wel een provincie op moderne leest geschoeid.

Dat wilde voor mij zeggen dat er een zogeheten ‘licht’ provinciebestuur zou komen. Dat hield in dat met beperkte financiële middelen en weinig personeel niet zwaar op de gemeenten zou worden geleund met allerlei hinderlijke procedures. De nieuwe provincie als steun voor de gemeenten en geen hindermacht. Ook deze kwestie hield de gemoederen in de afdeling danig bezig. Sommigen van de leden vonden de huidige status nog niet zo gek: Almere als een vrije gemeente met rechtstreekse banden met het Rijk. Dat klonk ook wel aantrekkelijk, maar daarvoor bleek het Rijk niet warm te lopen.

Als minister van Binnenlandse Zaken was partijgenoot Ed van Thijn bepaald geïnteresseerd in een nieuwe provincie, omdat hij graag wilde experimenteren met het afschaffen van allerlei overbodige en onnutte wet- en regelgeving. Dat zou in en vooral door de nieuwe provincie kunnen worden uitgeprobeerd. Ook hier speelden Han Lammers en Hans Alders een belangrijke influisterende en motiverende rol. Niet voor niets had Lammers met Vonhoff (VVD) een rapport over het tegengaan van overvloedige en hindermachtige regelgeving gemaakt ( De Carnavalsoptocht der planprocedures).

Sterke gemeenten, lichte provincie was de leus waarmee wij het pleit hoopten te winnen. De verkiezingen werden voor de PvdA een groot succes en ik trad met Anette Schaeffer en Herman Linzel toe tot de Staten. Toch heeft de provincie Flevoland (zo ging hij heten) van Almere nooit groot enthousiasme ondervonden. Dat was mede te danken aan de bijzonder strategische ligging van Almere t.o.v. Amsterdam, Gooi- en Vechtstreek, en Utrecht (al werd die laatste relatie wel erg laat ontdekt). Almere had met deze gebieden tal van bestuurlijke betrekkingen en dat resulteerde tenslotte in deelname aan het zogeheten ROA, het Regionaal Overleg Amsterdam. Dat was aanvankelijk een betrekkelijk vrijblijvend overlegorgaan waarin echter wel door Amsterdam de lakens werden uitgedeeld. Allengs drong Amsterdam aan op versteviging van dat overleg en tenslotte voerde Amsterdam de club aan in de onderhandelingen met het Rijk over zaken als woningbouw en infrastructuur. Almere leek daarin op te gaan, totdat zich een uur U aandiende.

Wat was het geval? Amsterdam wilde IJburg gaan bouwen, ca. 30.000 woningen in een aan het IJmeer te onttrekken gebied. Maar dat bleek zo duur dat Amsterdam extra middelen nodig had.
Al of niet in samenspraak met het Rijk (Amsterdam hield er naast het ROA ook zo zijn eigen relatie buiten het ROA met het Rijk op na) werd ‘uitgerekend’ dat Almere van zijn taakstelling in de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra (Vinex), die 30.000 woningen omvatte, wel zo’n 10.000 gulden per woning aan Amsterdam kon afdragen als bijdrage aan de financiering van IJburg. Immers de grond was goedkoop in Almere, zo luidde de redenering, er werd goedkoper gebouwd en – niet openlijk gezegd- het was Amsterdam toch al vele jaren een scherpe steen in de schoen dat in de polder goedkoper werd gebouwd in eengezins-laagbouw.

Op verzoek van Lammers rekende ik voor dat Amsterdam die woningen in IJburg nooit binnen de gestelde tijd zou kunnen bouwen en dat Almere dan zijn afgedragen vermogen ( op termijn 300 miljoen!) elders in Amsterdam aangewend zou zien en zelf in grote problemen zou raken. Het ging in Almere immers niet alleen om het bouwen van woningen, maar ook om de bijbehorende voorzieningen, infrastructuur, bedrijfsgebieden, parken en alles wat bij de bouw van een nieuwe stad komt kijken .Daar is natuurlijk veel geld voor nodig in een financieel gezond grondbedrijf. Dit werd een breekpunt , misschien wel hét breekpunt, tussen Almere, Amsterdam en Flevoland in een gespannen driehoeksverhouding.

Het hoeft geen betoog dat deze twistappel ook in het college van B&W en in de afdeling een zeer spicy item was. Voor Lammers, nu CdK, was het ondenkbaar dat de ene stad ( Amsterdam) zo via een omweg een greep deed in het grondbedrijf van een andere stad ( Almere). Hij vond het gemeentelijk grondbedrijf dé essentie van een zelfstandige gemeente. Bovendien speelde ook mee dat de formele toetreding van Almere tot het ROA ook een niet te overkomen verzwakking van de provincie zou betekenen. De afloop is bekend. Er ontstond een bestuurlijke impasse, die uitliep op een crisis. Maar die ontwikkeling valt buiten dit bestek.

Eindeloos

onderhandelen

over wegen

In alle wegenplannen uit de jaren zestig en zeventig, nationaal en regionaal, was voor de toekomstige stedelijke ontwikkeling in de IJsselmeerpolders voorzien in adequate verbindende infrastructuur. Zo zou benoorden Almere een aftakking van de A28 (Amersfoort/Nijkerk), kruisend de A6 , door de Markerwaard naar Noord-Holland gaan om zo de noord-zuid verbinding onder het Noordzeekanaal te ontlasten. En zo ook zou Midden-Nederland direct met West-Nederland verbonden zijn.

We weten dat dit alles er niet is gekomen. De A6 zou worden doorgetrokken benoorden het Naardermeer naar de A9, om zo een tweede ring rond Amsterdam te maken en Almere rechtstreeks op het westen van de Randstad aan te sluiten. Ook dit is er niet van gekomen. Lang is binnen het Rijk gesteggeld over de Almeerse bocht in de A6 om het Weerwater niet te doorkruisen. De A27 naar Utrecht gaf minder problemen, maar kwam laat, waardoor de Waterlandse weg veel meer verkeer kreeg dan verwacht.

Zijn dit ook politieke kwesties die in de afdeling speelden? Niet altijd direct, maar de verbindingen als probleem kwamen toch regelmatig aan de orde omdat de leden natuurlijk ook inzagen dat het uitblijven van goede verbindingen de mensen erg zou raken. Velen hadden immers hun werk in Amsterdam of ’t Gooi. En de trein dan? Ook daarover moest eindeloos worden onderhandeld. Door de opkomende belangstelling voor het gebied van de Oostvaardersplassen groeide het verzet tegen de aanleg van de Flevolijn door dat gebied. Het heeft jaren geduurd voordat tenslotte werd besloten een bocht (‘badkuipmodel’) in de lijn te maken, mede onder druk van de Tweede Kamer.

Daarover is in de afdeling en met Lelystad menig hartig woordje gewisseld. Lelystad hunkerde immers in haar moeilijke jaren naar een treinverbinding, en die werd uitgesteld door de onzekerheid over het tracé. Ook over de latere toevoeging van de zogeheten Gooiboog naar Utrecht moest flink worden gedebatteerd, nu vooral met de beschermers van de Vechtstreek omdat deze boog immers deels door dat gebied zou lopen.

Vanuit het gemeentebestuur van Amersfoort is nog wel geopperd ook een spoorlijnaftakking van de Flevolijn vanuit Almere (oostelijk) bij het NS en het Rijk te bepleiten, maar dit idee kwam niet verder dan wat bespiegeling.

Lastige kwestie:

locatie van

het ziekenhuis

Bij de ruimtelijke ontwikkeling van Almere, na de overname daarvan van het Rijk, kwamen tal van moeilijke kwesties en keuzes naar voren. Ik heb al genoemd de terugtredende houding van Amsterdam en het Rijk omtrent de geplande woningproductie. Maar er speelden ook zaken op een ander niveau. Eén daarvan was de locatie van het ziekenhuis. Ook dat werd een hete aardappel in politiek Almere. Wat speelde hier? De RIJP had veel, heel veel ruimte gereserveerd voor het centrum van de stad. Ook aan het Weerwater. Tegelijkertijd zou het Almeerse ziekenhuis, zo was het voornemen van de RIJP, ergens aan de Hoge Ring worden gebouwd, met veel groen en parkeerruimte eromheen. Ook goed toegankelijk voor spoedverkeer vanaf de Rijksweg.

Ik vond – en vind – dat een ziekenhuis een echte centrumvoorziening behoort te zijn. Als een stadscentrum goed functioneert zijn daar allerlei voorzieningen aanwezig, samen met woningen, bedrijfjes, ateliers, cafés en restaurants etc. Deze beïnvloeden elkaar door wederzijdse contacten en trekken mensen aan. Een ziekenhuis is een belangrijke medische, maar ook sociale voorziening. Moet natuurlijk goed bereikbaar zijn, maar er is ook aandacht nodig voor heel andere aspecten. Hoe zien de beddenkamers eruit, hebben de patiënten een mooi uitzicht (belangrijk als je lang ligt), waar wonen de dokters en de verplegers? Kunnen zij in de buurt wonen en te voet of per fiets komen? Kunnen zij daar kinderopvang vinden, scholen aandoen of boodschappen doen, alles een beetje in de buurt van hun werk. Kunnen de bezoekers een wandelingetje maken met genezende patiënten, kunnen zij als het moeilijk is ergens in de buurt een kop koffie of een borreltje drinken, zijn er winkels etc. etc.

Dat alles pleit in een goed stadscentrum om vele voorzieningen bij elkaar te brengen, ook en vooral belangrijke als een ziekenhuis. Ik vroeg en kreeg belet bij B&W om hierover te spreken. Het college (De Jonge, Schaeffer, Tierie, Bregman, Bos) was uiterst voorzichtig. Zou dat geen vertraging opleveren, het gebouw was al getekend. Lammers had met steun van de Amsterdamse wethouder Verhey (CPN) het Burgerziekenhuis uit Oost weten te overtuigen van nieuwbouw in Almere, zou dat niet in gevaar komen? Zou het niet duurder worden, of technisch moeilijk, en hoe zat het met de bereikbaarheid? Ik herinner mij dat ik ook in de afdeling hierover heb gesproken, waarbij Wim Trieller deze aanpak onverkort steunde.

Lammers sprak het eindoordeel uit. Hij zou het bestuur van het Burgerziekenhuis in Almere uitnodigen en ik mocht proberen dat bestuur met mijn overwegingen te overtuigen. Werden zij niet overtuigd door mijn argumenten dan ging de verplaatsing niet door. Het werd een zware middag. Maar het lukte. Onder alle voorwaarden hierboven opgesomd kwam het ziekenhuis op tijd klaar. Aan het Weerwater. Ik kom er nog regelmatig en zie het met genoegen. Anderen ook, zo hoop ik. Zo waren er meer voorbeelden waarin de politiek zich krachtig moest inlaten met de ruimtelijke ontwikkeling van Almere om te voorkomen dat de al te ruime en toch ook haastige opzet van Almere niet het lot zou ondergaan van veel nieuwe steden: een ongezellig en ’s avonds verlaten leeg centrum, publieksvoorzieningen op grote loopafstanden van elkaar, weidse pleinen met ‘unheimische’ sfeer, eenvormige woonwijken etc.

Nog een voorbeeld van een lastige kwestie. De RIJP had de hoofdontsluitingswegen in Almere Stad in 2×2 rijstroken uitgevoerd, met een middenberm en brede langskanten. Daardoor ontstaat het beeld van snelwegen dwars door het stedelijk weefsel. Ik betoogde dat deze wegen aangenamer werden voor het stadsbeeld als zij zoveel mogelijk zouden worden teruggebracht tot een eenvoudiger, maar prettiger profiel van twee rijstroken i.p.v. vier, met interessant ingeplante bermen. Ook dat gaf veel debat in het college en ook hier kregen wij steun van onze wethouder De Jonge, die dat op zijn beurt weer in de afdeling heeft uitgelegd.
Ik volsta met deze keuze van enkele vraagstukken in de ontwikkeling van het jonge Almere en hoop duidelijk gemaakt te hebben hoezeer politiek en ruimtelijk- en volkshuisvestingsbeleid zijn verbonden en hoe belangrijk is dat de bestuurders en partijleden zich dat tot hun belangstellingsfeer rekenen. Het gaat immers om de kwaliteit van het dagelijks leven in de stad. Ik schreef eerder in een lezing: de nieuwe stad zal een sociale stad zijn.

Geen tolerantie

voor geweld

tegen CP’ers

Ik noemde hiervoor al de tolerantie die het bestuur van Almere, zeker ook door toedoen van de PvdA aan de dag legde bij de nieuwkomers in Almere. Daaronder de opvang van vluchtelingen uit El Salvador, maar ook de plaats die landdrost Lammers zonder enige aarzeling toekende aan een reizende en overal weggejaagde zigeunerfamilie, waaraan de bekende naam van Koko Petalo is verbonden. Zij kregen een plaats voor hun wagens nabij het Muiderzand en wie er ook over ging mopperen, het college, met Lammers voorop, bleef onwrikbaar. In het geheel geen tolerantie toonde de gemeenteraad bij een bruut bezoek, welhaast inval, van een groep mensen die zich antifascisten noemden en met geweld hun afkeer van het raadslid van de Centrumpartij wilden demonstreren. Ik zie Wim Trieller nog overeind springen in de raadszaal en met beide armen omboog de indringers de weg versperde en hen op de weg terug drong.

Een andere vorm van tolerantie is de opstelling van de PvdA wethouders bij de trammelant rond het toestaan van de bouw van de tijdelijke woningen uit de prijsvraag De Fantasie. Die voldeden niet aan de eisen voor een bouwvergunning, maar onze wethouders vonden een vindingrijke uitweg. Zij maakten gebruik van het zogeheten “Ketenbesluit” uit de bouwverordening dat toestaat dat een ‘keet’ (voor wie dat niet weet, een simpel bouwwerkje van hout of golfplaat voor bouwwerkzaamheden) niet langer dan vijf jaar mag staan. Maar dan moet er natuurlijk wel iemand ook daadwerkelijk gaan afbreken. Als dat niet gebeurt zou het gemeentebestuur opdracht moeten geven… Maar ja… dat kun je ook gedogen. Zo kwam Almere al in haar vroege jaren aan een uitermate interessant en mooi gebied dat veel bezoekers van buiten met verbazing liet zien dat er zoiets mogelijk was in de nieuwe stad. En dat herhaalde zich enkele jaren later met de Realiteit.

Een Olympisch

dorp aan

het Weerwater

Amsterdam ondernam een poging de Olympische Spelen 1992 naar Amsterdam te halen. Tijdens het opstellen van het zogeheten “Bidbook” en de aansluitende lobby rond 1985 ontstond een heel vervelend bestuurlijk-politiek gedoe.

Wat was het geval? Amsterdam wilde bij het Olympisch Comité scoren met de idee van de Compacte Spelen, dit in navolging van de Compacte Stad waarover ik hiervoor kwam te schrijven. Dit hield in dat alles, werkelijk alles aan sportaccommodaties en voorzieningen, waaronder een Olympisch Dorp, in en vlak aan de rand van Amsterdam zou worden gerealiseerd. Wij in Almere trachtten mee te doen, omdat Almere over de nodige ruimte beschikte, maar het was aan pure dovemansoren in Amsterdam gericht. Wij werden, zeg maar gerust hooghartig, afgewezen.

Echter, niet bij de pakken neergezeten, met hulp van de begaafde stedenbouwkundige Teun Koolhaas ontwikkelden wij in no time een fraai plan voor een Olympisch Dorp aan de noordelijke oever van het Weerwater. En ook nog een fraai plan voor het wedstrijdzeilen op het Markermeer. Wij trokken ons niets aan van de Amsterdamse eenkennigheid en presenteerden doodgewoon dat (goede) plan, tot grote ergernis van Amsterdam dat zijn eigen dorp in Sloten had gepland. Maar wij kregen toch steun van het landelijk organiserend comité. De afloop is bekend, internationaal begreep niemand iets van die eigenaardige uitvinding Compacte Spelen, en Barcelona werd aangewezen, al of niet met een betere lobby. Maar de muis kreeg een mooie staart: de plek van ons Olympisch Dorp is prima ingevuld met uitstekend gelegen woningbouw, zoals iedereen nu zelf kan zien.

Strijd om Floriade

in Almere was

er al in 1985

Omstreeks 1985 kreeg ons college er lucht van dat de zogeheten Tuinbouwraad een nieuwe locatie zocht voor de Floriade, haar periodieke tentoonstelling (en uitstalling) van tuinbouwproducten, werkwijzen en ontwikkelingen daarin. Er komen vele bezoekers en na afloop blijft er een mooi park over met nuttige gebouwtjes. Zo had ik het in Amsterdam gezien in het Beatrixpark en in het Gaasperpark aan de zuid-oostkant van Amsterdam. Nu is deze Tuinbouwraad wel zo slim om meerdere locaties in beeld te willen hebben, zodat een flinke concurrentie tussen de betrokken steden kan ontstaan ten voordele van de Floriade. Het zou dus wel een flinke duit gaan kosten, maar wij hadden er in Almere een mooie plaats en wel in en bij Pampus-Hout.

Het college ging akkoord en nam een positieve houding aan. Wij maakten een mooi en wervend plan, maar de Tuinbouwraad koos voor een andere plaats, namelijk nabij Schiphol in Hoofddorp. Uit informatie van collega’s hoorde ik dat het wel een dure operatie is geworden. Tien jaar later werd het Venlo. En zie, nu wordt Almere alsnog de locatie voor de Floriade, maar op een heel andere plek. Het kan verkeren.

Erg onderschat, maar belangrijk voor de sfeer van de stad en de waardering van de bewoners is de naam van hun straat of wijk. De oorspronkelijke Almeerse straatnaamgevingscommissie had de gewoonte, zie de Kruidenwijk, om via een encyclopedische methode de nieuwe wijken in Almere uitputtend namen van steden, kruiden, bloemen, bomen etc. te geven.

In de afdeling kwam eens aan de orde of dat niet meer cultureel en politiek kon worden aangepakt. Het ging tenslotte om een nieuwe stad met nieuwe methoden van werken en waarom zouden wij ook met de straatnamen niet een andere weg inslaan dan de gebruikelijke? Het gemeentebestuur ging akkoord, maar er mochten geen namen van nog levende personen worden genoemd. Het zou immers niet voor het eerst zijn dat die mensen in hun leven nog foute politieke keuzes zouden kunnen maken of misdaden kunnen bedrijven.

Om de straatnaamgevingscommissie te ondersteunen namen ontwerper Brans Stassen en ik plaats in de commissie, om onze plannen en de uitgangspunten toe te kunnen lichten. Margot Toorop was een enthousiast en vindingrijk voorzitter. Zo kwam de Filmwijk er en de Muziekwijk. Bij de staatslieden ontstond een probleem: de oude Willem Drees leefde nog, zij het diep in de negentig. Maar een Staatsliedenwijk zonder zijn naam? Het college streek de hand over het hart en stuurde Drees een brief met de vraag of hij akkoord ging. Er kwam een mooi briefje terug, wel in een beverig handschrift, dat hij er zeer mee was vereerd. Ik hoop en neem aan dat het briefje goed in het archief wordt bewaard. En dan was er ook het debat over het vernoemen van het groengebiedje bij het station: het Mandelapark, maar Nelson of Winnie? Over de eerste was niet zo heel veel discussie, maar over de tweede?

Linkse hobby’s:

Paviljoens

en klokkenspel

Als piepjonge stad ontbeerde Almere, naast vele andere sociale, medische en culturele voorzieningen ook een museale functie. Wim Trieller en ik hebben een poging ondernomen een ‘museum’ voor jonge kunst te realiseren, waarbij het beginsel was dat alleen jonge kunstenaars door een commissie van verstandige en deskundige mensen zouden worden uitgenodigd om te exposeren.

Leidende gedachte was dat een aantal onder deze kunstenaars grotere bekendheid zouden krijgen en (dus) ook hoge opbrengsten voor hun werk zouden ontvangen. Ons museum zou dan die kunst op de markt kunnen brengen en met de opbrengst het museum als een ‘revolving fund’ weer andere (jonge) kunstenaars kunnen ondersteunen. Voor een eerste opzet was wat geld nodig. Noch de gemeente, noch de provincie stak ons een hand toe. Dom natuurlijk want zo ontstaat kunst van waarde in een nieuwe stad, en jammer omdat een dergelijk museum een geheel eigen plaats zou kunnen krijgen in de kunstwereld in ons land. Wim Trieller echter vond toch een weg. Hij bezocht de (befaamde) tentoonstelling in Kassel (Dl) en wist naar aanleiding daarvan de “Paviljoens” in Almere te stichten.

De nieuwe stad heeft niet zo heel veel kerken en dus ook geen carillons. Dat zat Landdrost Lammers danig dwars en hij heeft zich zeer ingezet om in elk geval in de kernen van Almere (en Zeewolde) een klokkenspel tot stand te brengen. Mogelijk voor sommigen niet zo’n belangrijk issue, maar het bepaalt – met al die andere kleinere zaken – wél de sfeer van de stad. Alle grote en kleine zaken bij elkaar; veel verschillende functies t.o.v. elkaar; grote differentiatie van gebouwen, straten en pleinen; veelvormigheid; variatie in dichtheid van bebouwing t.o.v. mooi gevormde open ruimten met aanliggende functies; goed ontworpen en fraai aangelegde wegen, water, lanen en parken, en natuurlijk de gebruikers van de stad, de mensen, dat alles bij elkaar bepaalt de kwaliteit van de stad. En daarvoor te zorgen is ook een belangrijke politieke opgave.

Henk Licher 21 november 2017
oud-hoofd Stadsontwikkeling gemeente Almere


Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterShare on LinkedInPrint this page