‘Niets zit ons in de weg.

En anders ruimen we het op’

 

Het is de dag na de herindelingsverkiezingen. In Hoogezand-Sappemeer heeft de PvdA… gewonnen. De Groningse gemeente wacht een herindeling en een naamswijziging per 1 januari 2018: Midden-Groningen. Zolang is Peter de Jonge (65) er nog waarnemend burgemeester.
Natuurlijk staat hij nog een tijdje boven de partijen, maar kleurloos is hij niet en de onverwachte winst – ook in Leeuwarden, niet ver van zijn woonplaats Heerenveen – geeft hem plezier. Burgemeester, wie had dat kunnen denken in 1976. Toen betrokken Ineke, zijn vriendin en hij een gloednieuwe woning in het ook al nieuwe Almere. Ze hoorden tot de groep eerste bewoners die zich nestelden in De Werven.

Peter de Jonge

“Ik weet nog dat mensen van buiten op zondagmiddag door onze ramen naar binnen keken terwijl wij zaten te eten. Je kreeg het gevoel dat je in een openluchtmuseum woonde. Nee, niet prettig. Alles was daar nieuw en voor het eerst. Toch hadden we er geen erg in dat alles moeite kostte. Je was jong en je dacht: jongens, dit gaan we allemaal doen. Niets zit ons in de weg. En anders ruimen we het op.”

“Ik had wel het gevoel dat je zoiets maar één keer in je leven meemaakt. Zeker als gemeentebestuurder zat je met een blanco vel papier. Je kon alles vanuit niets opzetten. Het was ook een ruige tijd. Er lag nog niets vast. Nu heb je in Almere tradities en gewoonten, mensen die elkaar al tientallen jaren kennen. Wij beleefden een wilde tijd, onbeschut, zoals het landschap toen was. Maar zo zie ik het achteraf. Destijds hadden we daar niet zo’n erg in.”

Peter de Jonge zat er dankzij de PvdA al gauw middenin. Hij werd de eerste lijsttrekker bij de verkiezingen voor de Adviesraad – voorloper van een echte gemeenteraad. “Ik was 26 toen ik lijsttrekker en direct lid van het dagelijks bestuur werd. Rechtstreeks uit de collegebanken. Het was geen plan. Wel kreeg ik snel in de gaten dat ik graag bij het openbaar bestuur betrokken wilde blijven. De PvdA was sterk. We hadden een dikke vinger in de pap.”

Ik was net afgestudeerd. Werk had ik nog niet. Dankzij de nieuwe baan van Ineke waren we in Almere beland. Ik was beschikbaar. Net als Rob de Boer. Hij was buschauffeur en kon toe met weinig slaap. Als hij late dienst had gehad, kon hij het besturen van Almere er wel even bij doen. Het was snel beklonken: ‘Dan kunnen die twee wel wethouder worden’. Ik zei tegen Ineke: ‘We kunnen het proberen. Ik moet het twee jaar volhouden. Dan zijn er weer verkiezingen. Maar toen had ik de smaak te pakken. Ook al voelde ik me in het begin als dagelijks bestuurder onveilig.”

‘Het lukte me 

de leden te

overtuigen’

In de partij had zich toen al menige discussie ontwikkeld en het ging er soms stevig aan toe. De Jonge: “We beleefden een fikse botsing over het onderwijs – mijn portefeuille. Er was een groep partijgenoten die vond dat buitengewoon onderwijs (nu speciaal onderwijs, red.) overbodig was. Dat kon in de gewone klassen. Ik stond op het standpunt dat er toch altijd een groep kinderen is, waarvoor iets extra’s nodig is. Dat liep hoog op. Joop Kuys, hoofd van de enige lagere school van Haven, was hierin mijn opponent. De gemeente was toen nog schoolbestuur en de PvdA moest een standpunt innemen. Het is me gelukt de leden te overtuigen. Later voelde ik me meer senang, vooral dankzij Wim Trieller, die toen voorzitter van onze afdeling werd.”

Peter herinnert zich andere kwesties die voor de nog jonge partijafdeling gevoelig lagen. De opzet van de gezondheidszorg, de erfpacht en de hoeveelheid koopwoningen die gebouwd zou worden. “Ook al was een koopwoning erg goedkoop, dan was het nog niet goed. Maar gaandeweg groeide wel het besef dat we moesten bouwen voor wie dat nodig was. Daarop moesten de prijzen afgestemd worden, niet op ideologische rimram.”

De wethouder van destijds denkt dat misschien wel een rol speelde dat Almere met de keuzes van de PvdA een proeftuin voor de sociaaldemocratie was. “We wisten waar de mensen vandaan kwamen en uit welke inkomensgroepen. Een spraakmakend deel van de ambtenaren dat voor de Rijksdienst hier werkte, was ook bij de Bijlmer betrokken geweest. Zij hadden al eens nagedacht over de bouw van een grote stad. Het uitgangspunt in Almere was minder experimenteel en meer bouwen voor mensen met een smalle beurs.”

De Almeerse jaren waren voor Peter ook een leerschool. “Later doe je wel je voordeel met de ervaringen van toen. Ik heb in Groningen meegemaakt dat Hans Alders werd aangesteld om de aardbevingsschade te regelen. Toen heb ik de politici gewaarschuwd voor een club, zoals destijds in Almere de Rijksdienst, die een eigen beleid gaat voeren.”

‘Met Lammers

kregen we veel

ervaring binnen’

“Je leerde ook dat je moet zorgen altijd een plan te hebben. Of eigenlijk twee of drie. Met Lammers kregen wij veel ervaring binnen. En van Frieling leerde ik dat je, als je honderd huizen wilt bouwen, er 300 moet voorbereiden. Want er gaat altijd iets fout en dan houd je toch honderd huizen over. Het was lastig om het hoge bouwtempo dat wij hadden, vast te houden.”

Het spanningsveld tussen gekozen bestuurders en de Rijksdienst heeft Peter niet vaak gehinderd. “Wat de dienst deed was goed onderbouwd. En met mijn portefeuilles onderwijs en financiën had ik niets met hen te maken. Het Openbaar Lichaam (voorloper van de gemeente, red.) bouwde zelf scholen. Maar uiteindelijk ging het wel knagen: wij waren de Almeerders en hadden niets te zeggen over hoe de volgende wijk eruit kwam te zien.”

De eerste landdrost met wie de gekozen politici te maken kregen, Will Otto, huldigde de regel dat hij zich net zo zou gedragen als de burgemeester van een gemeente. Han Lammers zette die lijn als landdrost voort. De Jonge herinnert zich dat Lammers de grenzen van zijn mogelijkheden oprekte. Almere moest zélf bouwen en de macht van de Rijksdienst werd ingeperkt.

De Jonge: “In het gekozen bestuur had de PvdA door een reeks verkiezingsuitslagen een dikke vinger in de pap. Maar de onderlinge verhouding met andere fracties was goed. Daarna kwam er een periode dat we een absolute meerderheid hadden. Daar was ik niet echt blij mee. Dat was slecht voor alles en iedereen.”

In de wijk waar Peter woonde waren tientallen jonge Almeerders lid van de PvdA. “Echte aanhangers van de sociaaldemocratie. Maar de arbeiders van toen lazen ook De Telegraaf. Onze partij heeft de zorgen van die mensen laten liggen. Ikzelf had geen ervaring met een buurman die op zijn balkon een schaap slachtte, maar anderen wél. Het was vaak een reden geweest om uit Amsterdam weg te gaan. Dat we daar niet op reageerden, mag de partij zich wel aanrekenen. Maar wij hebben nu eenmaal een achtergrond van de internationale gedachte. Bij onze aanhang van voorheen waren veel mensen die de Marokkanen liefst allemaal zagen vertrekken – behalve hun buurman dan, want dat is zo’n beste kerel!”

“Wij kregen in Almere in 1984 al te maken met een extreemrechtse partij in de raad. Dergelijke partijen rekenden af met angst die er gewoon niet is. Er wáren destijds geen groepen in de stad waarvoor je door rechts bang gemaakt werd. Waarom zou je op zo’n partij stemmen? Zoals Europa er na de Tweede Wereldoorlog uitzag, wit en van vreemdelingen ontdaan, dat was een zeer ongewone situatie. Zoiets had zich in de geschiedenis nog nooit voorgedaan. We zijn hier nog steeds herstellende van de toevloed van mensen die weer op gang is gekomen.”

‘Aan de deur

gebeten door

hond van Jehova’

Hij herinnert zich wel de omvangrijke operatie die de reactie was op de komst van extreemrechts. De Almeerse PvdA ging de wijken in. “Vooral Wim (Trieller, red.) was daar fanatiek in. We kregen het verwijt dat we de band met de kiezer kwijt waren. Er was een uitgebreid schema waarop stond waar we heen moesten. Ik vond het leuk werk, behalve die keer dat ik aan de deur door een hond werd gebeten, nota bene van een Jehova’s Getuige. We waren eensgezind en strijdvaardig, maar bij de uitslag van de verkiezingen was van al dat werk geen spoor te vinden.”

In Heerenveen maakte Peter mee dat de PvdA zich in de raad enorm had ingespannen voor belangrijke voorzieningen die de stad graag wilde. Maar bij de stembusgang kreeg een lokale partij alle stemmen. Peter: “Niet dat je beloond moet worden. Maar het was een afstraffing.”

Hij noemt zichzelf na veel jaren op burgemeestersposten veel meer een bestuurder dan een politicus. Zijn relatie met de partij is nogal afstandelijk, formuleert hij. Op de onderwerpen waaraan ik werkte – vooral ontwikkeling en bouwen – had ik van de PvdA niet veel te verwachten. Inhoudelijk ben ik op die terreinen de band met de partij kwijtgeraakt; er werd immers niet veel gebouwd voor gewone mensen. Ik had wel contact met Kamerleden en ging wel eens naar bijeenkomsten, maar een echte partijganger ben ik nooit geworden.”
Tot zijn wapenfeiten rekent Peter een bont rijtje herinneringen. Trots is hij op de komst van de moedermavo en op het gaande houden van de bouw van betaalbare woningen. Ook: de realisatie van de glastuinbouw en van de golfbaan – “Nee, niet echt een PvdA-ding.”

Na veertig jaar gelooft de oud-lijsttrekker dat Almere nog maar aan het begin staat. “Een stad die 41 jaar bestaat, is nog bezig met de bevalling. Hoe denk je dat Amsterdam er na 41 aan toe was?! Wat me van een afstandje wel verbaast is dat jongeren er moeilijk een woning kunnen bemachtigen. Dat vind ik een nederlaag voor een stad die ook ontworpen is voor mensen met weinig geld. Er zijn weinig steden waarover zo goed is nagedacht door mensen met ervaring in de stedenbouw. Ik hoop dat de meerkernige opzet en de plaats van het openbaar vervoer de komende veertig jaar overleven.”


Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterShare on LinkedInPrint this page