Kamerfractie kan wat leren van de PvdA in Almere

 

Aanvankelijk dacht ik dat op mijn lijstje van te interviewen Almeerse partijhotemetoten Lea Bouwmeester de hoogst gestegene van allemaal was. Tenslotte is zij net afgezwaaid van het hoogste ambt, zo zegt men, van volksvertegenwoordiger in onze Tweede Kamer der Staten Generaal. Wie biedt er meer? Niemand, toch? Vooralsnog wel. Ad Melkert. Dat was ook een Tweede Kamerlid uit Almere destijds, en die werd zelfs fractievoorzitter en partijleider. Hoger heb je in onze partij niet. Maar goed, Lea is nog jong, wie weet wat er in de glazen bol allemaal nog in het verschiet ligt. Zelf denkt ze dat haar politieke carrière er nu op zit. Maar persoonlijk roep ik al sinds haar intrede in de Kamer: ‘Het wachten is op een kabinet Bouwmeester.’ Dus wie weet.

 

Overigens denk ik niet dat er lezers van dit stukkie zijn, die hadden durven vermoeden dat in een artikeltje over Lea het woord hotemetoot zou opduiken. Dat is terecht. Want er zijn maar weinig mensen waarbij dat woord zo slecht past als bij Lea. Terwijl ze intussen gerust onder de illustere Kamerleden kan worden geschaard, want ze was behoorlijk effectief en heel succesvol. En al die ervaring en expertise nam ze natuurlijk mee naar haar twee huidige banen. Maar daarover straks.

“Ik heb zeker

vrienden

overgehouden’

Of het waar is dat je in de politiek geen vrienden maakt, vroeg ik haar.
Lea: ‘Ja, dat wordt vaak gezegd. Volgens mij werkt het zo, dat je terugkrijgt wat je zelf geeft. Ik heb in elk geval geen vijanden gemaakt in de Kamer, en dat helpt enorm want het betekent dat je veel meer voor elkaar kunt krijgen. Het zijn er niet veel, maar ik heb zeker vriendschappen overgehouden aan mijn politieke werk, zowel lokaal als landelijk. Ik denk dat het vergelijkbaar is met andere werkkringen. Hoeveel collega’s worden echt vrienden?’

Wat heeft je het meest positief verrast aan het kamerwerk?
‘De kamerorganisatie. Dat is een fantastische club mensen die een geweldige ondersteuning bieden. Heel professioneel en alert. Echt fantastisch. En een ander ding dat me verraste is dat echt alle deuren voor je open gaan als Kamerlid. Er is in het hele land een enorme bereidheid om je te informeren en om deskundigheid te delen. En je mag overal komen kijken.’

Dat is best verrassend inderdaad. In een tijd waarin de publieke opinie weinig op lijkt te hebben met politici, om niet te zeggen dat ze massaal als zakkenvullers worden weggezet. Mogelijk krijgen we (ook hier) een vertekend beeld voorgeschoteld.

Lea vertelt dat gedurende de tien jaar waarin zij in de kamerbankjes zat het vliegen afvangen en elkaar de maat nemen een steeds grotere rol is gaan spelen in het dagelijkse debat. Terwijl zij zelf zich ontwikkelde van een stevig-erin-vliegen naar een rustiger, meer verbindende stijl.
‘Het lijkt wel of ik precies de omgekeerde ontwikkeling heb doorgemaakt als de kamer als geheel. Misschien ontgroei je het werk wat na tien jaar. Volgens mij is het voor elk Kamerlid verstandig om na tien of maximaal 12 jaar te stoppen en het aan anderen te laten. Vooral nu ik weg ben, merk ik dat je toch in een bubbel zit daar in Den Haag. Hoe vaak je ook het land in gaat op werkbezoek en hoeveel mensen van buiten Den Haag je ook spreekt. Toen ik in de kamer zat merkte ik dat niet, ik merk het nu ik er weg ben.’

Kamerfractie

kan wat leren

van PvdA Almere

Omdat we hier het feestje van de afdeling Almere aan het vieren zijn, komt het erg goed uit dat Lea met heel veel warmte spreekt over haar ervaringen met en in de afdeling.
‘Wat ik mijn leven lang niet zal vergeten is hoe ik ben opgevangen en gesteund toen ik in de Almeerse fractie kwam. Er was een enorme warmte, een soort familiegevoel, dat was echt fantastisch. Ik ben zo goed opgevangen door met name Joost van den Donk, Iwan Valk en Rob Beuse. Ik merkte het ook in de rest van de afdeling. Ik was jong en men zag potentie maar ook dat ik nog veel moest leren en die kans kreeg ik ook. Er was zeg maar ruimte om fouten te maken. Nee, echt die fractie tussen 2002 en 2006, die was echt geweldig. En dat is iets wat ik in Den Haag wel gemist heb. In de Kamerfractie gaat het er toch echt anders aan toe. Je had daar niet dat familiegevoel met z’n allen. Wel waren er individuele fractiegenoten die me erg hebben geholpen en gesteund. Vooral Diederik Samsom en Aleid Wolfsen. Dat zal ik ook nooit vergeten.’

Over haar nieuwe banen, waarmee Lea zich net als bij haar woordvoerderschap in de Kamer op het terrein van de zorg blijft roeren, zag ik een paar zure berichten langskomen. Dat ging ongeveer zo van: nou zegt ze eerst dat er regels moeten komen om de schijn van belangenverstrengeling te voorkomen doordat politici gaan werken in een branche waarover ze besluiten hebben genomen, en dan doet ze dat vervolgens gewoon zelf.

Mijn passie

is nu eenmaal

de zorg

Lea: ‘Goed dat je deze vraag stelt, dan kan ik uitleggen hoe het in elkaar steekt. Ik was in de Kamer bezig om er voor te zorgen dat je als overheid bij het vormgeven van beleid spreekt met een diverse groep betrokkenen, niet alleen maar met een paar. Ik zei steeds: het land is niet van de grote bedrijven en organisaties, maar ook van de kleine. Het moet duidelijk worden met wie gesproken wordt en met wie niet, zodat de Kamer dat kan controleren en eventueel bijsturen. Een onderdeeltje daarvan was inderdaad de belangenverstrengeling. Maar dat ging vooral over ministers, want die hebben gevoelige inside informatie, Kamerleden meestal niet. Je wilt voorkomen, zoals bij Eurlings het geval was, dat een minister die over Schiphol gaat eerst steeds aan tafel zit met KLM, om dan drie weken later daar directeur te worden. Voor Kamerleden moeten ook regels komen, maar dat ligt toch anders. Als een partij drie Kamerleden heeft, dan heeft elk van hen misschien wel zes portefeuilles. Als je dan in al die sectoren niet zou mogen werken, dan is zo’n Kamerlid als hij of zij stopt drie jaar werkloos. Ik ben als zorgwoordvoerder inderdaad nu werkzaam in de zorg. Daar ligt mijn passie en mijn expertise nu eenmaal en daar werk ik mee verder. Ik heb een andere rol nu, maar zet me nog steeds in voor dezelfde mensen.’

En de werkgever heet NDF. Dat staat voor Nederlandse Diabetes Federatie. Het is een koepel over echt alle organisaties en deskundigen op het terrein van diabetes, inclusief wetenschappers, patiëntenorganisaties en farmaceutische bedrijven. Een soort coördinatiebureau tussen echt alles en iedereen die betrokken is bij Diabetes. Dat is een tamelijk unieke aanpak (alleen rond longziekten zie je iets soortgelijks in de Longalliantie), dat is wat Lea zo trok in deze werkgever. Bovendien is diabetes intussen volksziekte nummer 1, het gaat om een miljoen mensen. Daarvan hebben er ongeveer 250.000 diabetes type 1, dat is een auto-immuunziekte ziekte, je kunt er niets aan doen, maar bij de overige 750.000 die type 2 hebben, daar is vaak een relatie met leefstijl, met spreekt van een welvaartsziekte. Het wordt steeds duidelijker dat daar wel iets aan te doen is en dat is uiteraard het doel van alle diabetesorganisaties en dus van de NDF. Lea is directeur van deze NDF en werkt er vier dagen per week.

‘Het is heerlijk om wat meer achter de schermen te kunnen werken. Na tien jaar steeds maar een mening te moeten geven, ben ik nu wat meer op de achtergrond aan het luisteren naar alle diverse meningen en belangen, om er verbindingen in te kunnen ontdekken en maken.’

Daarbij is ze ook voorzitter van de redactieraad ICT & Health, vanuit het ECP (Electronic Communication Platform). Daar gaat het om de vraag hoe krijgen we zorg op maat en op exact het juiste moment bij mensen. Dankzij ICT, zo is de gedachte, kunnen we steeds meer meetgegevens automatisch laten generen via allerlei slimme tools, zodat de dokter dat niet hoeft te doen, en er dus meer tijd vrij komt voor wat dan warme zorg wordt genoemd: direct contact tussen mensen. Wie hier meer over wil weten kan zijn of haar voordeel doen met deze tip van Lea: ‘Lees het fantastische boek van Eric J. Topol, ‘The Patient Will See You Now: The Future of Medicine Is in Your Hands’.’

Er komt geen

boek van Lea

over de Kamer

De laatste tijd zijn er boeken verschenen van afzwaaiende Kamerleden, waarin met een kritische blik werd gereflecteerd op het Kamerwerk in het algemeen en op wat er binnenskamers gebeurde in het bijzonder. Komt er van Lea ook zo’n boek?
‘Nee. Die vraag heb ik wel gehad. Maar toen ik zei dat ik dat wel wilde, een boek schrijven over mijn tijd in de Kamer, met daarin wat ik heb ontdekt over wat werkt en wat niet, hoe je dingen met andere partijen voor elkaar krijgt, met tips & trucs voor aspirant Kamerleden, dat soort dingen, maar uitdrukkelijk geen roddels: toen was er opeens geen belangstelling meer.’

Zo zie ja maar weer: een Bouwmeester is alleen maar constructief bezig. Is er in Den Haag al een Bouwmeesterbuurt? Nee? Dan wordt dat hoog tijd.

Otto Treurniet


Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterShare on LinkedInPrint this page